Augusto Boal heeft destijds gezegd: ‘maatschappelijke zin gaat boven artistieke relevantie’. (…) Je moet in mijn ogen altijd met beide bezig zijn – met de maatschappij en met de materie – omdat je zo nadenkt over de relevantie van de artistieke daad. In de beeldende kunst is men daar altijd mee bezig, maar in het theater bijna nooit.
Kunst moet altijd gaan over de grootheid van verbeelding en de wereld, maar zonder beperkingen.
Als kunstenaar is er maar één manier om te overleven. Die is: zo goed mogelijke kunst maken. Dat vraagt veel oefening, veel rotzooi maken, veel vernietigen en nooit versagen. Voortdurend in vraag stellen, je eigen beelden in het gelaat spugen en op hun hart trappen. Elke dag experimenteren. Elke dag je doel in vraag stellen. Elke dag weten dat je zult falen.
Het is en blijft eigen aan grote kunst dat het ondanks alles schoonheid en troost zoekt.
Als je theater afschaft, schaf je tegelijkertijd het meest onaantastbare medium af dat ooit is uitgevonden. Theater is het medium bij uitstek dat nooit is veranderd. Er zijn slechts accentverschuivingen die te wijten zijn aan de tijdsgeest. (…) Het gaat om iets anders dan originaliteit en ego, het gaat nu eenmaal en ondanks alles, nooit over vernieuwing, maar over een soort archivering van alles wat met de mens te maken heeft.
Ik denk niet dat er ook maar één persoon in de Vlaamse theaterwereld rijk is geworden met zijn werk, dat bestaat niet. Daar hoef je dus als beginnend theatermaker geen rekening mee houden en het is mede daarom dat theatermensen volgens mij eigenlijk nauwelijks last hebben van de crisis. De schoonheid van theater is dat het niet economisch gerecupereerd kan worden, en overigens ook niet politiek. Er is voor een theatermaker geen koning, keizer of collectioneur die zegt waarover hij een voorstelling moet maken, wat een ongelofelijk ontroerende en naïeve vrijheid oplevert. En daarom is het medium theater hoopvol voor de toekomst.